Auteur
Column Henry Meijer

Filosofen over belastingheffing

door Henry Meijer • Mede-eigenaar van FiscAlert • Gepubliceerd op 16 mrt 2026

Belastingen horen bij het moderne leven. Aan welke eisen moet worden voldaan voor rechtvaardigheid? Filosofen en andere denkers hebben zich daarover uitgelaten. Henry Meijer zet een aantal op een rijtje.

Belastingen diefstal?

Belastingheffing is op wetten gebaseerd. In onze samenleving worden die democratisch vastgesteld. Burgers verlangen dat wetten rechtvaardig zijn. Zo niet dan komen ze in opstand. Tot de 19e eeuw was sprake van een zogenoemde nachtwakersstaat. Deze beperkte zich tot veiligheid, rechtsorde, defensie en oorlog voeren. De belasting was dan ook in het algemeen beperkt. Nog regelmatig vlamt de discussie op over de rol van de overheid, die tegenwoordig veelomvattend is. Wat moet de overheid doen en wat moeten burgers en bedrijven zelf regelen?

Tegenwoordig slokt de overheid ruim 40% van de nationale productie op. Het geld wordt besteed aan onder meer infrastructuur, rechtsorde, bestuur, onderwijs en inkomensondersteuning. Op sociale media lees je dat belastingen diefstal zijn. Libertariërs vinden de huidige belastingheffing een inbreuk op hun fundamentele rechten en soevereinen willen zelfs helemaal niets met de overheid te maken hebben. Ons welvaartsniveau vereist een krachtige en efficiënt werkende overheid, en dat is natuurlijk niet gratis. Soevereinen en libertariërs lijken dat te miskennen.

Rechtvaardigheid

Voor een overzicht van wat filosofen er zoal van vinden heeft het niet veel zin om bij de beroemde Grieken als Aristoteles en Socrates te beginnen. De staat was toen onvergelijkbaar met die van nu. Daarom start ik met John Locke (1704). Van hem komt het adagium no taxation without representation. De inbreuk op het eigendomsrecht door belastingheffing is alleen gerechtvaardigd met instemming van het volk. Zonder dat zag hij het als tirannie. Dit inzicht was een reactie op de heersers van weleer die belasting hieven voor persoonlijke doeleinden. Het adagium vormde de motivatie voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd. De kolonisten wilden geen belasting betalen aan Engeland zonder daar iets over te zeggen te hebben.

Volgens Jeremy Bentham (1748) moet het grootste geluk voor het grootste aantal mensen de basis zijn van wetgeving. De pijn die de inbreuk van belastingen op het eigendomsrecht van individuen veroorzaakt, moet kleiner zijn dan het nut voor de collectiviteit. Filosoof John Stuart Mill (1806) zwakte dit af wijzend op de rechten van het individu, die niet zomaar even kunnen worden weggestreept voor het nut van het algemeen. Die spanning tussen publiek en het privaat belang zie je nog steeds in de huidige discussie over rechtvaardige belastingheffing.

Adam Smit, Karl Marx en Thomas Piketty

Adam Smit bedreef de ontluikende wetenschap van de economie vanuit een filosofische invalshoek. In zijn The Wealth of Nations uit 1776 ging hij uitgebreid in op de rol die de politiek zou moeten vervullen bij het creëren van welvaart. Toen hij het schreef begon de industrie de agrarische samenleving te verdringen. Hij behandelde concepten als arbeidsdeling, productiviteit, vrije markten en de rol die prijzen spelen in de allocatie van middelen. Zijn ‘onzichtbare hand’ zorgt er idealiter voor dat arbeid en kapitaal worden ingezet waar ze het maximale nut opleveren.

Hij formuleerde vier fundamentele principes van belastingheffing: billijkheid, zekerheid, gemak en efficiëntie. Belastingen moeten gebaseerd zijn op draagkracht en efficiënt te innen zijn. Belastingen moeten de economie niet belemmeren, maar ook de armen niet onevenredig treffen. De inkomsten van de staat zouden moeten worden gebruikt voor essentiële overheidsfuncties als defensie en infrastructuur. Aan armoedebestrijding deed de staat toen nog niet. Dit was volgens de toen heersende opvattingen de taak van charitas, verzorgd door kerkelijke organisaties.

Toen Karl Marx (1818) zijn ideeën ontwikkelde was de industriële revolutie in volle gang. Deze ging met ernstige uitbuiting gepaard. Hij zag belastingen als weerspiegeling van de machtsverhoudingen in de maatschappij, als instrument van de heersende klasse. In zijn communistische heilstaat zou privébezit verdwijnen en daarmee ook de wijze waarop zou worden voorzien in de collectieve middelen. Die heilstaat is er niet gekomen, maar zijn analyse over macht en ideologie is nog steeds bruikbaar. De door Marx geïnspireerde Franse politieke econoom Thomas Piketty (1971) heeft vermogensongelijkheid weer als politiek thema op de kaart gezet. Hij publiceerde in 2013 Kapitaal in de 21ste eeuw. Uit de koker van hem en zijn collega Gabriel Zucman komt het voorstel van een vermogensbelasting voor de ultrarijken. Zie hierover mijn artikel in FiscAlert januari 2026, pagina 26.

Politici mogen wel eens vaker kijken naar wat filosofen hebben geschreven

Rijke mensen schatplichtig 

Filosoof John Rawls (1921) stelde in zijn boek A Theory of Justice dat het oordeel van een individu over rechtvaardigheid wordt bepaald door zijn maatschappelijke omstandigheden en het eigenbelang. Zo zijn rijke families tegen een hoge erfbelasting. Dat iemand een uitzonderlijk talent heeft, welk talent hem een zeer hoog inkomen oplevert, is volgens hem maar in beperkte mate een verdienste van die persoon zelf. Het is in zijn ogen grotendeels te danken aan toeval. Waar stond zijn wieg, is hij toevallig mensen tegengekomen die hem hebben geholpen en had hij het economische tij mee? Denk aan miljardairs als Jeffrey Bezos en Mark Zuckerberg, die dankzij het wereldomspannende internet hun enorme rijkdom hebben kunnen verwerven. Daarom is het volgens Rawls gerechtvaardigd om hoge inkomens aan een hoge belastingdruk te onderwerpen en dit ten goede te laten komen aan hen die minder geluk hebben gehad. Hij zag de noodzaak om belastingen in te zetten voor inkomens- en vermogensgelijkheid. Tegenwoordig is dit weer een heet hangijzer in de politiek.

Pleidooi voor vrijwilligheid

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk (1947) heeft een geheel eigen kijk. Hij wijst erop dat belastingen op dwang zijn gebaseerd, waardoor mensen er een hekel aan hebben. Het doet afbreuk aan de verbinding in de samenleving. Ondernemers worden gedemotiveerd in hun economische activiteiten. Daarom pleit hij voor vrijwillige belastingbetaling. Mensen zouden dan vanuit eergevoel — uit morele overwegingen — gaan bijdragen. Het is twijfelachtig of hijzelf gelooft dat vrijwilligheid voor voldoende opbrengsten voor de overheid kan zorgen. Zijn toegevoegde waarde aan het discours is dat hij op originele en provocatieve wijze een vinger op een zere plek legt. Hij heeft gelijk dat belastingen zoveel mogelijk verbindend moeten zijn. 

Belasting betalen is ook een morele plicht

Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de wetgever de belastingdruk eerlijk verdeelt en zorgt voor goede belastingwetgeving. Box 3 is een voorbeeld waar dat niet is gelukt. Ook lukt het steeds maar niet het werken lonend(er) te maken. Daar heeft de politiek de mond van vol zonder concrete actie te ondernemen.

Het betalen van belasting is niet alleen een juridische, maar ook een morele plicht. Je betaalt omdat je deel uitmaakt van de samenleving en profiteert van publieke voorzieningen. In de wetenschappelijke literatuur wordt dit het sociale contract genoemd. Je doet er verplicht aan mee. Dit contract ligt aan de basis van de legitimiteit van staat en belastingheffing. Het is natuurlijk geen echt contract. Je hebt er niet voor getekend. Zo kun je je van de mailinglijst van Amazon laten verwijderen, maar niet van die van de Belastingdienst. Voor het functioneren van de samenleving is het essentieel dat zoveel mogelijk burgers er loyaal aan meewerken en niet op gekunstelde wijze de heffing ontwijken. Maar ook de overheid moet zich een betrouwbare partner tonen, zonder corruptie en vriendjespolitiek.

Draagkracht versus ondernemingsklimaat

Het draagkrachtbeginsel behoort tot het morele fundament van onze belastingheffing. Een draagkrachtheffing wordt als eerlijk ervaren. Toch is onze fiscale wetgeving daar niet mee in overeenstemming. Zo is het tarief van de btw vrijwel verdubbeld en daar hebben de mensen met de minste draagkracht het meeste last van. De middeninkomens worden in verhouding tot hun inkomen zwaarder belast dan de rijken. In de politiek is het vestigings- of ondernemingsklimaat dominant geworden. Ondernemingen, die in handen zijn van rijke mensen, worden fiscaal ontzien om te voorkomen dat ze er de brui aan geven of naar het buitenland vertrekken. Niet toevallig beschikken deze mensen over een krachtige lobby. De politiek is daar gevoeliger voor dan voor filosofen. 

Achter het schrijfbureau of de pc is het relatief eenvoudig aan te geven hoe het allemaal zou moeten. De politiek moet daarentegen rekening houden met allerlei maatschappelijke krachten en tal van uitvoeringsproblemen. Maar voor een enigszins logisch en rechtvaardig belastingstelsel mogen politici wel eens vaker naar de grote lijnen kijken, en naar wat filosofen daarover hebben geschreven.

Columns

Column
Henry Meijer
Mede-eigenaar van FiscAlert
Auteur
Column
Henry Meijer
Mede-eigenaar van FiscAlert
Auteur
Column
Henry Meijer
Mede-eigenaar van FiscAlert
Auteur
Column
Henry Meijer
Mede-eigenaar van FiscAlert
Auteur